
Afgelopen dinsdagavond stond tijdens het Bouwhuiscafé van Stichting Bouwhuis het thema ‘bouwen aan sterke gemeenschappen’ centraal. Tom Bergevoet liet aan de hand van uiteenlopende Europese en eigen voorbeelden zien dat klimaatadaptief, circulair en toekomstbestendig bouwen niet alleen een technische opgave is, maar vooral ook een maatschappelijke. In zijn presentatie benadrukte hij het belang van lokale kwaliteiten, initiatief van gebruikers en ruimte voor experiment en flexibiliteit.
Deze boodschap staat niet op zichzelf. Het werk van Tom Bergevoet en Maarten van Tuijl bij Temp.architecture.urbanism kent al langer een sterke onderzoekslijn rond flexibiliteit, transformatie, gebruikersinvloed en de manier waarop de stad zich kan aanpassen aan veranderende omstandigheden. In De Flexibele Stad – Oplossingen voor leegstand en krimp (2013) onderzochten zij alternatieven voor de traditionele, grootschalige ontwikkelpraktijk, met onder meer aandacht voor de invloed van gebruikers en voor veranderbaarheid. The Flexible City – Sustainable Solutions for a Europe in Transition (2016) verbreedde dit naar de Europese stad. In de meest recente publicatie, The Flexible City – Solutions for a Circular and Climate Adaptive Europe (2023), werken zij deze lijn verder uit naar een praktische toolbox voor circulaire en klimaatadaptieve steden, gebaseerd op lokale kwaliteiten, actieve gebruikers en een stapsgewijze aanpak.
Juist in dat laatste werk komt een belangrijk aspect naar voren dat voor Apeldoorn interessant is: de stad toekomstbestendig maken vraagt niet alleen om technische en ruimtelijke oplossingen, maar ook om het versterken van lokale gemeenschappen. In het boek wordt dit onder meer vertaald in het instrument Empowering Local Communities: bewoners en lokale gemeenschappen krijgen een actieve rol bij het verbeteren van hun eigen leefomgeving. De auteurs benadrukken daarbij dat lokale kennis, betrokkenheid en initiatief belangrijke voorwaarden zijn om complexe stedelijke opgaven daadwerkelijk verder te brengen.
De recente reeks columns van Bergevoet op Architectenweb bouwt expliciet op deze onderzoekslijn voort. In zijn artikel ‘Klimaatbestendig bouwen is het bouwen van sterke gemeenschappen’ verbindt hij klimaatweerbaarheid aan ruimtelijke samenhang en sociale verbondenheid. Aan de hand van onder meer de overstromingen in het Duitse Ahrtal, Seestadt Aspern en de Sargfabrik in Wenen laat hij zien dat de ruimtelijke organisatie van buurten invloed kan hebben op de mate waarin mensen elkaar kennen, elkaar kunnen helpen en voorzieningen gezamenlijk kunnen gebruiken. Hij wijst daarbij op het belang van een ruimtelijk samenhangende én programmatisch diverse gemeenschap.
Dezelfde gedachte komt terug in andere recente columns. In ‘Pleinen vol groente, torens vol fruit’ beschrijft Bergevoet bijvoorbeeld de Cité Maraîchère in Romainville, waar stadlandbouw, ontmoeting, werkgelegenheid en voedselproductie worden gecombineerd. De fysieke ruimte wordt daar tegelijk gebruikt als sociale en maatschappelijke infrastructuur. In zijn beschouwing over gebouwen die niet moeten worden gesloopt maar juist langzaam kunnen ‘rijpen’, koppelt hij hergebruik bovendien aan het behouden van de sociale infrastructuur van buurten.
De avond leverde, in aanwezigheid van lokale politieke partijen, de gemeente Apeldoorn en andere geïnteresseerden, een dynamisch debat op. Een belangrijke conclusie was dat de opgave van woningbouw breder is dan het realiseren van aantallen woningen. Het gaat ook om de vraag hoe we sturen op hechte gemeenschappen en welke woonmilieus we willen toevoegen aan de stad.
Het thema van collectieve plekken en collectieve woonvormen kent inmiddels veel interessante voorbeelden. Ook recent onderzoek onderstreept de maatschappelijke waarde ervan. Onderzoek naar collaborative housing laat bijvoorbeeld zien dat bewoners meer sociale interactie, vertrouwen en gemeenschapsgevoel kunnen ervaren. Een recente studie naar geclusterde woonvormen voor ouderen laat bovendien zien dat bepaalde woonvormen samenhangen met meer onderlinge interactie en verbondenheid. Onderzoek naar semi-publieke ruimten benadrukt daarnaast het belang van de ruimte tussen woning en openbare ruimte voor sociale duurzaamheid.
Daarmee is dit niet alleen een sociaal-maatschappelijke, maar ook nadrukkelijk een ruimtelijke opgave. Goede collectieve woonvormen kunnen ruimtelijke kwaliteit toevoegen door interessante plinten, gedeelde ruimtes, collectieve tuinen, entrees, galerijen en goed bruikbare openbare ruimte. De manier waarop private, collectieve en publieke ruimte in elkaar grijpen is daarbij cruciaal. Ook Bergevoets voorbeelden laten zien dat publieke voorzieningen, collectieve hoven en gedeelde plekken niet als toevoeging achteraf moeten worden gezien, maar als onderdeel van het woon- en stadsconcept
Een interessant voorbeeld is het project The Commons, meergeneratiehoven voor Almere Haven van Temp.architecture.urbanism. Daar worden de woonbehoeften van senioren, starters en gezinnen niet alleen afzonderlijk bekeken, maar wordt ook onderzocht wat zij voor elkaar kunnen betekenen. Burenhulp, kleine zorgtaken, ondernemerschap, sociale controle en het onderhouden van de omgeving worden onderdeel van het concept. Daar staan voordelen tegenover als ontmoeting, veiligheid, betaalbaarheid en ondersteuning. Het voorstel koppelt daarmee woningbouw, voorzieningen, openbare ruimte en bewonerscoöperaties aan elkaar
Zo wordt niet alleen ingezet op woningen, maar op een integrale transformatie van de wijk: woningen, voorzieningen en openbare ruimte worden gezamenlijk aangepakt en vier bewonerscoöperaties krijgen een voortrekkersrol in de herontwikkeling en het beheer. Het laat zien hoe een ruimtelijke strategie voor wonen, zorg, voorzieningen, werkgelegenheid, groen en beheer elkaar kan versterken
Hier raakt de ruimtelijke opgave aan een belangrijk begrip: eigenaarschap. Als bewoners zich daadwerkelijk betrokken voelen bij hun woonomgeving – en daar invloed op hebben – kan een sterkere verbondenheid met die omgeving ontstaan. Het gaat dan niet alleen om juridisch eigendom, maar ook om het gevoel: dit is van ons, hier zijn wij verantwoordelijk voor. Ook de eigen praktijk van temp.architecture laat zien dat dit geen abstract idee hoeft te blijven. Met Panorama-West werd door het bureau zelf een co-workingcommunity ontwikkeld en beheerd, waarbij collectieve voorzieningen en gedeeld gebruik onderdeel zijn van de ruimtelijke opzet.
Dit is Belangrijke les voor Apeldoorn juist voor Apeldoorn relevant. De stad gaat verdichten en zal daarbij ook te maken krijgen met intensieve bebouwing en mogelijk hoogbouw. De centrale vraag is dan niet alleen hoeveel woningen kunnen we bouwen?, maar ook: Hoe zorgen we ervoor dat toekomstige bewoners invloed krijgen op hun woonomgeving en dat eigenaarschap kan ontstaan?
Daarmee ontstaat een bredere opgave dan alleen het produceren van woningen. Het gaat om het maken van woon- en leefmilieus waarin gebouw, collectieve ruimte, plint, openbare ruimte, voorzieningen en beheer samen een gemeenschap kunnen dragen.
Bij verdichting wordt openbare ruimte bovendien schaarser en daarmee belangrijker. De vraag is dus niet alleen hoeveel openbare ruimte er is, maar hoe bruikbaar, uitnodigend en betekenisvol die ruimte is. Ruimte voor verblijf, ontmoeting, groen, spelen, werken, kleine initiatieven en experiment kan het stedelijk leven versterken.
Ook de lessen uit Bergevoets recente columns zijn hier relevant. Hij laat onder meer zien dat parkeerplaatsen, infrastructuur, pleinen, daken en zelfs bestaande gebouwen opnieuw kunnen worden bekeken als potentiële dragers van andere stedelijke functies. In plaats van ruimte sectoraal toe te kennen, ontstaat de mogelijkheid om functies te combineren en daarmee meer maatschappelijke waarde uit dezelfde vierkante meters te halen.
Van woningmarkt naar volkshuisvesting Dit biedt belangrijke input voor het op te stellen Omgevingsprogramma Volkshuisvesting Apeldoorn. Het programma zou niet uitsluitend moeten sturen op aantallen, woningtypen en betaalbaarheid, maar ook op:
• doelgroepen en gemeenschappen: voor wie bouwen we en welke vormen van samenleven passen daarbij? • woon- en leefmilieus: niet alleen de kwaliteit van de woning, maar ook de kwaliteit van de context; • collectieve woonvormen en coöperaties: ruimte bieden aan bewonersinitiatieven en gezamenlijk opdrachtgeverschap; • invloed en eigenaarschap: toekomstige bewoners eerder betrekken bij ontwerp, organisatie en beheer; • collectieve ruimtes: deze niet als restpost behandelen, maar als essentieel onderdeel van het woonconcept; • goede plinten en adressen: gebouwen zo ontwerpen dat ze bijdragen aan straatleven en ontmoeting; • bruikbare openbare ruimte: bij verdichting nadrukkelijk investeren in de kwaliteit van de ruimte tussen de gebouwen; • experimenteerruimte: ruimte bieden voor nieuwe woonvormen en woonplattegronden die ontmoeting en collectiviteit mogelijk maken.
Daarmee sluit Apeldoorn aan bij een bredere ontwikkeling die ook in het werk van Bergevoet en Temp.architecture zichtbaar is: van een ruimtelijke ordening die vooral produceert, naar een manier van ontwikkelen die aanpast, verbindt, activeert en ruimte laat voor initiatief. De opeenvolgende publicaties De Flexibele Stad, The Flexible City en The Flexible City – Solutions for a Circular and Climate Adaptive Europe laten daarin een herkenbare doorgaande lijn zien.
Daarmee kan Apeldoorn een stap zetten van het denken over een woningmarkt naar het ontwikkelen van echte volkshuisvesting: niet alleen woningen produceren, maar voorwaarden creëren voor goede, betaalbare en toekomstbestendige woon- en leefgemeenschappen.
Onze aanbeveling aan de gemeente Apeldoorn is daarom om in het Omgevingsprogramma Volkshuisvesting expliciet ruimte te maken voor collectiviteit, experiment, coöperatieve woonvormen en eigenaarschap. Juist bij verdichting en intensivering van de stad ligt daar een belangrijke kans om niet alleen méér woningen te maken, maar ook betere stedelijke milieus en sterkere gemeenschappen
Apeldoorn, 22-09-2026 Henry Huiskamp Architectuurcentrum Bouwhuis